Het gerechtshof in Den Haag legde daarmee een vijf jaar lagere straf op dan bij het eerdere vonnis van de Rotterdamse rechtbank. Vanaf het begin heeft C. volgehouden dat zijn dodelijke schoten noodweer waren. Zelfbescherming van zijn vriendin en hemzelf. Toen Cumma hem met zijn vuurwapen bedreigde zorgde hij eerst dat zijn vriendin uit de auto kwam. Toen het wapen van Cumma weigerde greep hij zijn eigen wapen en schoot Cumma neer. Daarna loste hij nog een aantal schoten en ging er vervolgens vandoor. Later gaf hij zichzelf in Breda aan bij de politie.
Het hof oordeelde echter dat hij naar hun inzicht voldoende tijd had gehad om zich bij de situatie uit de voeten te maken. Dan zouden de dodelijke schoten niet nodig zijn geweest. C. stelde daar tegenover dat hij bij zijn vlucht een paar keer een paaltje had geramd dat in de weg stond en dat het daarom onmogelijk was geweest de situatie te ontlopen. Het hof gaf hem daarin geen gelijk en vond noodweer niet aangetoond. Wel nam het in aanmerking dat het het slachtoffer was die C. had opgezocht en bedreigd. Daarom werd de straf op zes jaar bepaald.